Linda van den Bergh
Hoe staat het met de kansenongelijkheid in het Nederlandse basisonderwijs?

Linda van den Bergh is lector bij Fontys OSO en begeleidt de kenniskring Kansenongelijkheid. Hoe staat het met de kansenongelijkheid in het Nederlandse basisonderwijs en waarom zouden schoolleiders voor deze kenniskring moeten kiezen?

Wat is jouw specifieke kennis en ervaring en persoonlijke affiniteit met kansenongelijkheid?

‘Toen ik zelf in het basisonderwijs werkte, merkte ik dat sommige leerkrachten vooroordelen hadden jegens leerlingen met bijvoorbeeld een migratieachtergrond, of leerlingen uit een bepaalde buurt. Ik dacht: dat moeten die kinderen merken. Toen ik een researchmaster deed, heb ik onderzocht wat de houding van leerkrachten was ten opzichte van leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, het effect daarvan op hun verwachtingen van leerlingen in hun eigen klas met zo’n achtergrond en de cijfers en CITO-resultaten die deze leerlingen behaalden.’

Wat kun je zeggen over de kansenongelijkheid in Nederland?

‘Die is stabiel, na jaren te zijn gegroeid. Dus stabiel op een hoog niveau, wat inhoudt dat de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs groot is. Zo heeft de Onderwijsinspectie onderzocht welk schooladvies kinderen kregen met een CITO-score van 538, een score waarmee je zowel naar de havo als het vwo kunt. Kinderen met laagopgeleide ouders hadden vijf keer zoveel kans op een havoadvies dan kinderen van hoogopgeleide ouders. Overigens richt mijn onderzoek zich op kansenongelijkheid in de klas.’

Je koppelt kansenongelijkheid aan het opleidingsniveau van de ouders. Zijn er nog andere factoren die van invloed zijn op kansenongelijkheid?
‘Ja, labels zoals autisme, dyslexie en ADHD. Van kinderen met een of meer van deze labels verwachten we over het algemeen minder, terwijl het label niets zegt over de capaciteiten van een leerling. Waar het om gaat, is dat we niet in stereotypen denken. Het klopt wel dat kinderen van laagopgeleide ouders het op school over het algemeen minder goed doen dan kinderen van hoogopgeleide ouders, maar het is géén wet van Meden en Perzen. Kansenongelijkheid is er al voordat kinderen überhaupt nog maar naar school gaan. Je zou willen dat de kansenongelijkheid in het onderwijs afnam, maar het tegendeel is waar: het onderwijs doet er nog een schepje bovenop, bijvoorbeeld door te werken in niveaugroepen. Dat is voor mij onverteerbaar en de reden waarom ik dit werk doe. Ik wil er iets aan doen, bijvoorbeeld door onze onderzoeksbevindingen te publiceren.’

Waardoor is die kansenongelijkheid gestegen?
‘Dit is een combinatie van vele factoren. Wat op dit moment zeker niet meehelpt, is het lerarentekort. Leerkrachten kunnen momenteel werken waar ze willen. Het lerarentekort is het grootst op de scholen met relatief veel kwetsbare leerlingen. Die leerlingen worden dus het vaakst naar huis gestuurd, terwijl juist zij dat onderwijs zo hard nodig hebben. Verder zie je dat hoogopgeleide ouders vaker een school kiezen met een specifiek, innovatief onderwijsconcept. Deze ouders gaan ook vaker in discussie met de leerkracht als het schooladvies in hun ogen niet past bij hun kind. En door het passend onderwijs is het moeilijk om af te stemmen op al die verschillende onderwijsbehoeften van de kinderen. We vragen haast het onmogelijke van de leerkrachten.’

Wat zijn vragen die bij jou zelf opkomen als het over kansenongelijkheid gaat?

‘Volgens mij is de allerbelangrijkste vraag: hoe krijg je als schoolleider de opvattingen van de leerkrachten over de potentie van kinderen positiever en meer open? De schoolleider kiest uiteindelijk waar het team mee aan de slag gaat, dus hij/zij speelt in dit verband een cruciale rol. Een schoolleider heeft ook veel invloed op de houding van leerkrachten en zou kritische vragen kunnen stellen als een leerkracht blijk lijkt te geven van vooringenomenheid. Stigmatisering is een van de oorzaken van kansenongelijkheid.’

Kansenongelijkheid in het onderwijs zou je moeten bestrijden, niet?
‘Ja, zeker. De vraag is vooral: hoe doe je dat? Veel scholen differentiëren in hun onderwijs. Op zich prima, maar waar streven ze dan naar? Naar gelijke uitkomsten? Met andere woorden: dat alle kinderen dezelfde leerdoelen behalen? Of wil je dat ieder kind het maximale uit zichzelf haalt? Als je voor het laatste kiest, is het gevolg dat de verschillen groeien. In de praktijk gaan de kinderen met een stimulerende achtergrond vaak sneller en gemakkelijker door het onderwijs. Andere kinderen hebben vaak meer tijd nodig. Als je voor kansengelijkheid bent, zou je bijna geneigd zijn om de snelle leerlingen af te remmen, maar daar is niemand voor. Dus werken we met niveaugroepen, zodat kinderen op hun eigen niveau instructie krijgen. Dat lijkt mooi, maar het risico van niveaugroepen is dat je een leerplafond inbouwt. Als je twee maanden lang aanbod hebt gehad op het laagste niveau is het amper mogelijk om van de ene niveaugroep door te stromen naar de volgende. Wetenschappers in binnen- en buitenland zijn het erover eens dat niveaugroepen de kansenongelijkheid vergroten. Misschien moeten we naar een ander onderwijsconcept.’

Wat mogen deelnemers van jou als begeleider verwachten?
‘De bedoeling van de kenniskring is schoolleiders kritisch te leren kijken naar kansenongelijkheid in hun school en naar mogelijkheden voor ontwikkeling. Ik zal doen wat daarvoor nodig is, bijvoorbeeld: afstemmen op hun praktijk en hun vragen. Mijn stijl van begeleiden laat ik afhangen van wat de groep nodig heeft. Ik ben voor begeleiden waar het kan en sturen waar het moet. Ik zal de reflectief-onderzoekende houding bij de deelnemende schoolleiders stimuleren door de theorie aan de praktijk te koppelen. Verder zie ik toe op de kwaliteit van ons gezamenlijke product en de voortgang van het proces.’

Waarom zouden schoolleiders voor jouw kenniskring moeten kiezen?
‘Omdat ze het een belangrijk thema vinden en hier bewust aan willen werken met hun team. Als het gaat om kansenongelijkheid kun je als school echt een verschil maken. Als je als leerling niet de kansen krijgt die je zou moeten krijgen, heeft dat niet alleen effect op de schoolloopbaan, maar ook op de rest van het leven: je werk, je inkomen, waar je kunt gaan wonen enzovoorts. Een team dat voelt dat zij een verschil kunnen maken voor iedere leerling, is het krachtigste wapen. Mijn kracht is dat ik zowel de theorie als de praktijk goed ken en dat ik gewend ben met schoolleiders te werken aan professionalisering van teams. We gaan het samen doen.’


Meer weten?

  • Linda van den Bergh heeft meegewerkt aan een boekje waarin 20 wetenschappelijke artikelen over kansenongelijkheid vertaald zijn in toegankelijk geschreven artikelen van ongeveer 2,5 pagina. Je kunt dit boekje (‘Werk maken van gelijke kansen, praktische inzichten uit onderzoek voor leraren basisonderwijs’) gratis downloaden via didactiefonline.nl
  • Op de site van het NRO (Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek) vind je een kennisportal waarin je naar betrouwbare praktische literatuur kunt zoeken en De Kennisrotonde. Scholen kunnen daar vragen stellen die vervolgens door onderzoekers worden beantwoord. Je vindt er inmiddels meer dan driehonderd vragen en antwoorden, compleet met rapport. 
  • Tot slot: op de site van de onderwijsinspectie kun je ook veel informatie over kansenongelijkheid vinden, bijvoorbeeld in de staat van het onderwijs van de afgelopen jaren.

Linda van den Bergh (1978) werkte als leerkracht en remedial teacher in het basisonderwijs. Ze studeerde vervolgens orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen en promoveerde in 2013 op het professionaliseren van leerkrachten in het geven van feedback aan leerlingen. Ze doet nu als lector langjarig onderzoek naar kansenongelijkheid in het onderwijs. “Mijn hart ligt bij kinderen die moeite hebben met leren. Toen ik eenmaal als leerkracht voor de klas stond, merkte ik dat ik daar weinig aan kon doen. Daarom heb ik toen een opleiding tot remedial teacher gevolgd. Maar als remedial teacher mag je bepaalde dingen niet doen die een orthopedagoog wel mag doen. Daarom ben ik toen orthopedagogiek gaan studeren. Tijdens die studie kreeg ik het idee: ik zou pas echt een verschil kunnen maken als ik onderzoek zou doen en daarover zou gaan publiceren en op die manier leerkrachten zou gaan inspireren. Dat is mijn uiteindelijke drijfveer.”

Linda van den Bergh
Hoe staat het met de kansenongelijkheid in het Nederlandse basisonderwijs?

Linda van den Bergh is lector bij Fontys OSO en begeleidt de kenniskring Kansenongelijkheid. Hoe staat het met de kansenongelijkheid in het Nederlandse basisonderwijs en waarom zouden schoolleiders voor deze kenniskring moeten kiezen?

Wat is jouw specifieke kennis en ervaring en persoonlijke affiniteit met kansenongelijkheid?

‘Toen ik zelf in het basisonderwijs werkte, merkte ik dat sommige leerkrachten vooroordelen hadden jegens leerlingen met bijvoorbeeld een migratieachtergrond, of leerlingen uit een bepaalde buurt. Ik dacht: dat moeten die kinderen merken. Toen ik een researchmaster deed, heb ik onderzocht wat de houding van leerkrachten was ten opzichte van leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, het effect daarvan op hun verwachtingen van leerlingen in hun eigen klas met zo’n achtergrond en de cijfers en CITO-resultaten die deze leerlingen behaalden.’

Wat kun je zeggen over de kansenongelijkheid in Nederland?

‘Die is stabiel, na jaren te zijn gegroeid. Dus stabiel op een hoog niveau, wat inhoudt dat de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs groot is. Zo heeft de Onderwijsinspectie onderzocht welk schooladvies kinderen kregen met een CITO-score van 538, een score waarmee je zowel naar de havo als het vwo kunt. Kinderen met laagopgeleide ouders hadden vijf keer zoveel kans op een havoadvies dan kinderen van hoogopgeleide ouders. Overigens richt mijn onderzoek zich op kansenongelijkheid in de klas.’

Je koppelt kansenongelijkheid aan het opleidingsniveau van de ouders. Zijn er nog andere factoren die van invloed zijn op kansenongelijkheid?
‘Ja, labels zoals autisme, dyslexie en ADHD. Van kinderen met een of meer van deze labels verwachten we over het algemeen minder, terwijl het label niets zegt over de capaciteiten van een leerling. Waar het om gaat, is dat we niet in stereotypen denken. Het klopt wel dat kinderen van laagopgeleide ouders het op school over het algemeen minder goed doen dan kinderen van hoogopgeleide ouders, maar het is géén wet van Meden en Perzen. Kansenongelijkheid is er al voordat kinderen überhaupt nog maar naar school gaan. Je zou willen dat de kansenongelijkheid in het onderwijs afnam, maar het tegendeel is waar: het onderwijs doet er nog een schepje bovenop, bijvoorbeeld door te werken in niveaugroepen. Dat is voor mij onverteerbaar en de reden waarom ik dit werk doe. Ik wil er iets aan doen, bijvoorbeeld door onze onderzoeksbevindingen te publiceren.’

Waardoor is die kansenongelijkheid gestegen?
‘Dit is een combinatie van vele factoren. Wat op dit moment zeker niet meehelpt, is het lerarentekort. Leerkrachten kunnen momenteel werken waar ze willen. Het lerarentekort is het grootst op de scholen met relatief veel kwetsbare leerlingen. Die leerlingen worden dus het vaakst naar huis gestuurd, terwijl juist zij dat onderwijs zo hard nodig hebben. Verder zie je dat hoogopgeleide ouders vaker een school kiezen met een specifiek, innovatief onderwijsconcept. Deze ouders gaan ook vaker in discussie met de leerkracht als het schooladvies in hun ogen niet past bij hun kind. En door het passend onderwijs is het moeilijk om af te stemmen op al die verschillende onderwijsbehoeften van de kinderen. We vragen haast het onmogelijke van de leerkrachten.’

Wat zijn vragen die bij jou zelf opkomen als het over kansenongelijkheid gaat?

‘Volgens mij is de allerbelangrijkste vraag: hoe krijg je als schoolleider de opvattingen van de leerkrachten over de potentie van kinderen positiever en meer open? De schoolleider kiest uiteindelijk waar het team mee aan de slag gaat, dus hij/zij speelt in dit verband een cruciale rol. Een schoolleider heeft ook veel invloed op de houding van leerkrachten en zou kritische vragen kunnen stellen als een leerkracht blijk lijkt te geven van vooringenomenheid. Stigmatisering is een van de oorzaken van kansenongelijkheid.’

Kansenongelijkheid in het onderwijs zou je moeten bestrijden, niet?
‘Ja, zeker. De vraag is vooral: hoe doe je dat? Veel scholen differentiëren in hun onderwijs. Op zich prima, maar waar streven ze dan naar? Naar gelijke uitkomsten? Met andere woorden: dat alle kinderen dezelfde leerdoelen behalen? Of wil je dat ieder kind het maximale uit zichzelf haalt? Als je voor het laatste kiest, is het gevolg dat de verschillen groeien. In de praktijk gaan de kinderen met een stimulerende achtergrond vaak sneller en gemakkelijker door het onderwijs. Andere kinderen hebben vaak meer tijd nodig. Als je voor kansengelijkheid bent, zou je bijna geneigd zijn om de snelle leerlingen af te remmen, maar daar is niemand voor. Dus werken we met niveaugroepen, zodat kinderen op hun eigen niveau instructie krijgen. Dat lijkt mooi, maar het risico van niveaugroepen is dat je een leerplafond inbouwt. Als je twee maanden lang aanbod hebt gehad op het laagste niveau is het amper mogelijk om van de ene niveaugroep door te stromen naar de volgende. Wetenschappers in binnen- en buitenland zijn het erover eens dat niveaugroepen de kansenongelijkheid vergroten. Misschien moeten we naar een ander onderwijsconcept.’

Wat mogen deelnemers van jou als begeleider verwachten?
‘De bedoeling van de kenniskring is schoolleiders kritisch te leren kijken naar kansenongelijkheid in hun school en naar mogelijkheden voor ontwikkeling. Ik zal doen wat daarvoor nodig is, bijvoorbeeld: afstemmen op hun praktijk en hun vragen. Mijn stijl van begeleiden laat ik afhangen van wat de groep nodig heeft. Ik ben voor begeleiden waar het kan en sturen waar het moet. Ik zal de reflectief-onderzoekende houding bij de deelnemende schoolleiders stimuleren door de theorie aan de praktijk te koppelen. Verder zie ik toe op de kwaliteit van ons gezamenlijke product en de voortgang van het proces.’

Linda van den Bergh (1978) werkte als leerkracht en remedial teacher in het basisonderwijs. Ze studeerde vervolgens orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen en promoveerde in 2013 op het professionaliseren van leerkrachten in het geven van feedback aan leerlingen. Ze doet nu als lector langjarig onderzoek naar kansenongelijkheid in het onderwijs. “Mijn hart ligt bij kinderen die moeite hebben met leren. Toen ik eenmaal als leerkracht voor de klas stond, merkte ik dat ik daar weinig aan kon doen. Daarom heb ik toen een opleiding tot remedial teacher gevolgd. Maar als remedial teacher mag je bepaalde dingen niet doen die een orthopedagoog wel mag doen. Daarom ben ik toen orthopedagogiek gaan studeren. Tijdens die studie kreeg ik het idee: ik zou pas echt een verschil kunnen maken als ik onderzoek zou doen en daarover zou gaan publiceren en op die manier leerkrachten zou gaan inspireren. Dat is mijn uiteindelijke drijfveer.”

Info en/of aanmelden

Wil je meer weten over de inhoud van deze kenniskring of wil je jezelf ervoor opgeven? Stuur dan een mailtje met je gegevens naar info@schoolleidersregisterpo.nl.  

Waarom zouden schoolleiders voor jouw kenniskring moeten kiezen?
‘Omdat ze het een belangrijk thema vinden en hier bewust aan willen werken met hun team. Als het gaat om kansenongelijkheid kun je als school echt een verschil maken. Als je als leerling niet de kansen krijgt die je zou moeten krijgen, heeft dat niet alleen effect op de schoolloopbaan, maar ook op de rest van het leven: je werk, je inkomen, waar je kunt gaan wonen enzovoorts. Een team dat voelt dat zij een verschil kunnen maken voor iedere leerling, is het krachtigste wapen. Mijn kracht is dat ik zowel de theorie als de praktijk goed ken en dat ik gewend ben met schoolleiders te werken aan professionalisering van teams. We gaan het samen doen.’


Meer weten?

  • Linda van den Bergh heeft meegewerkt aan een boekje waarin 20 wetenschappelijke artikelen over kansenongelijkheid vertaald zijn in toegankelijk geschreven artikelen van ongeveer 2,5 pagina. Je kunt dit boekje (‘Werk maken van gelijke kansen, praktische inzichten uit onderzoek voor leraren basisonderwijs’) gratis downloaden via didactiefonline.nl
  • Op de site van het NRO (Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek) vind je een kennisportal waarin je naar betrouwbare praktische literatuur kunt zoeken en De Kennisrotonde. Scholen kunnen daar vragen stellen die vervolgens door onderzoekers worden beantwoord. Je vindt er inmiddels meer dan driehonderd vragen en antwoorden, compleet met rapport. 
  • Tot slot: op de site van de onderwijsinspectie kun je ook veel informatie over kansenongelijkheid vinden, bijvoorbeeld in de staat van het onderwijs van de afgelopen jaren.

Over ons

Het Schoolleidersregister PO is een gemeenschappelijke plek waar alle kwaliteiten van schoolleiders in het primair onderwijs bijeen worden gebracht. Het register maakt de basiskwaliteit van schoolleiders zichtbaar en toont aan dat schoolleiders hun vak en hun ontwikkeling serieus nemen. Het Schoolleidersregister PO faciliteert de ontwikkeling van schoolleiders, onder andere door schoolleiders met elkaar in contact te brengen, door trends in beeld te brengen en kennis te delen, zodat schoolleiders voorop kunnen blijven lopen. Zo kunnen zij kinderen de beste kansen blijven bieden.

Contact

Vragen? Neem contact op: 030-2347360 www.schoolleidersregisterpo.nl
Vul je naam in
Vul een correct e-mailadres in
Vul een opmerking in
Bedankt, je bericht is verzonden.
Er ging iets mis met het verzenden van het formulier. Probeer het opnieuw.

Deel deze publicatie

Stuur deze pagina eenvoudig door of plaats als bericht op social media.

Zoeken in publicaties

Zoek naar een specifieke term in de verschillende publicaties.
Vul minimaal 3 karakters in.

Schoolleiders zijn continu bezig met hun ontwikkeling. Niet alleen voor zichzelf, maar juist ook voor anderen! Dat verdient aandacht en erkenning. Het Schoolleidersregister PO heeft als doel het aanzien van het beroep schoolleider te versterken. Met hun registratie laten schoolleiders zien dat ze staan voor kwaliteit en een leven lang leren. Dat doen ze samen met de gehele beroepsgroep: ruim 8.000 schoolleiders in het primair onderwijs in Nederland.
Volledig scherm

Schoolleiders zijn continu bezig met hun ontwikkeling. Niet alleen voor zichzelf, maar juist ook voor anderen! Dat verdient aandacht en erkenning. Het Schoolleidersregister PO heeft als doel het aanzien van het beroep schoolleider te versterken. Met hun registratie laten schoolleiders zien dat ze staan voor kwaliteit en een leven lang leren. Dat doen ze samen met de gehele beroepsgroep: ruim 8.000 schoolleiders in het primair onderwijs in Nederland.